Hoger zetmeelgehalte vermindert voerefficiëntie

Een hoger zetmeelgehalte in het rantsoen van verse koeien heeft een negatief effect op de voerefficiëntie. Dat heeft een onderzoek, gepubliceerd in Journal of Animal Science (Reynolds 2014 en Huntington 2006), aangetoond.

De behoefte aan glucogene energie is in de eerste 60-80 dagen van de lactatie erg groot. Dit is algemeen bekend. Vaak wordt voor deze energiebehoefte het zetmeelgehalte in het rantsoen verhoogd. Dit zetmeel komt deels vrij in de pens, maar moet grotendeels vrijkomen in de darm.

Er lijken geen beperkingen te zijn aan de vertering van zetmeel in de darm; dit komt doordat de vertering van zetmeel na het verlaten van de pens (in o.a. de dunne darm) toeneemt. Echter, de efficiëntie van de vertering vermindert, waardoor de voerefficiëntie afneemt.

Dit betekent dat er, op enkele uitzonderingen na, netto minder tot geen extra glucogene energie vrijkomt in de darm. Hierdoor is de effectiviteit van het verhogen van het zetmeelgehalte in het rantsoen voor verse koeien relatief laag.

Echter, blijft er wel de energiebehoefte van de nieuwmelkte koe. Pensbestendige glucose hoeft niet te worden omgezet in de darmen en wordt direct geleid naar het uier, daar waar de meeste energie wordt gevraagd voor de productie van melk. Daarnaast zal de extra energie gebruikt worden om Ketose te voorkomen.

Onderstaande grafiek geeft aan dat er wel meer zetmeel verteerd wordt, maar de efficiëntie van omzetting van de laatste grammen steeds verder afneemt (naar 40%). Dus, je voert meer, maar er wordt steeds minder omgezet in glucose.

Hoger zetmeelgehalte vermindert voerefficiëntie

Bron: Journal of Animal Science, 84 Suppl (13_suppl):E14-24

Meer informatie?

9 + 3 =